‘Voor een opdracht op school moest mijn zoon James mij interviewen over vroeger. Hoe de dingen eraan toe gingen in de jaren ’90. ‘Vroeger’. 35 jaar geleden. Over de communicatie tussen mensen in die tijd. Alsof we het over middeleeuwen moesten gaan hebben.
Wat waren zijn favoriete games?
Hoe moest hij in die tijd online dingen opzoeken?
Hoe luisterde hij naar muziek?
Hoe moest hij berichten versturen?
Welke Emoji’s gebruikte hij het meest?
Haha. Tja… Het is gewoon ronduit moeilijk om uit te leggen aan kinderen van nu dat dat er allemaal nog niet was. Zijn antwoorden: ‘Mijn pa deed geen games want hij had geen computer’. ‘Games heetten toen gewoon nog spelletjes’…zei ik erachteraan…’We hadden in de jaren ’80 wel de Atari en van die spelletjes die je in je hand kon houden van Donkey Kong’….. maar dat was allemaal veel teveel informatie. Daar snapte hij helemaal niks van.
‘Eind jaren ’90 kwam de computer pas en daarna de Google zoekmachine’… was ook een antwoord dat hij opschreef. ‘Voor die tijd bestond het woord ‘online’ niet. Het internet bestond nog niet’.
En muziek luisteren? Dat deden we met cd’s. Het is dat ik wat dat betreft nog een beetje ouderwets ben en nog een kast vol met cd’s thuis heb want aan de meeste kinderen van zijn klas kun je dát ook niet eens meer uitleggen.
Het thema van deze les is ‘Alles is verbonden’. Ik wou dat ik even af en toe achterin zijn klas kon zitten om mee te luisteren en te horen wat ze daar allemaal over denken en te zeggen hebben. Wij waren de laatste generatie die de tijd heeft meegemaakt voor het internet. Caroline, mijn vrouw werd geboren in 1990. Voor haar is de computer ook altijd een vast onderdeel van het leven geweest.
Hoe ik berichten moest versturen?: ‘Je kon iemand een brief sturen… of een kaartje… maar dat was wel veel werk dus dat heb ik nooit gedaan. Berichten versturen kon niet. Toen ik m’n eerste mobiele telefoon kocht waren de jaren ’90 al voorbij.’ Dat was ook allemaal veel teveel tekst en informatie voor hem. Zijn antwoord: ‘Het kon niet. Je moest naar je vriendje lopen.’
Ik kreeg nog een keer een kaartje van een meisje dat ik op vakantie had ontmoet op de camping in Spanje. Een Nederlands meisje. Ze was erg verliefd op me geworden in die vier dagen dat we mekaar hadden gekend. Ik had dat gevoel wat minder. Misschien omdat zij te enthousiast was. Ik was nog te jong om mijn gedachten daarover in kaart te brengen. Terug in Nederland kreeg ik in de herfst een kaartje van haar. Ze wilde denk ik ‘pennen’. Zo heette dat toch? Als je elders in het land een vriendje of vriendinnetje had ontmoet en contact wilde houden, dan ging je elkaar brieven sturen. Meer opties waren er niet. Ik heb nooit iets terug gestuurd. Ik vond het teveel gedoe. Maar dat was wel waar ik even aan moest denken toen we het lied ‘Je zit in m’n hoofd’ schreven. Onze laatste single die je wellicht voorbij hebt horen komen de laatste weken op de verschillende mediakanalen gaat over een vakantieliefde. Tijdens zwoele zomeravonden in Spanje viert de romantiek hoogtij. Vroeger toen wij jong waren misschien nog wel meer dan nu. Omdat het toen allemaal nog veel specialer was. Spanje was echt een heel ver tropisch oord. Voor contact met m’n ouders moest ik met Spaanse Peseta’s in een telefooncel bellen. Dat deed ik natuurlijk niet. Moet je je eens voorstellen dat dat nu gebeurt. Als onze kinderen op vakantie gaan naar het buitenland en we krijgen een week lang geen contact met ze…. Dan moet er op z’n minst een amber-alert uitgestuurd worden… maar dat terzijde.
Vooral jonge meiden die in die tijd aan de haak werden geslagen door van die Spaanse mooi-boys, raakten helemaal hoteldebotel verliefd. Oscarwaardige afscheid-scènes met bijbehorende jankpartijen waren aan de orde van de dag in Lloret de Mar, Benidorm en noem al die zuipoorden maar op. Want ze gingen mekaar nooit meer terug zien. Schrijven ging ook niet want ze spraken elkaars taal niet. Alleen de taal van de vakantieliefde.
En als ze dan thuis waren gekomen moesten ze hopen dat er een paar knappe foto’s op het rolletje stonden die ze konden laten ontwikkelen en boven hun bed konden hangen. En de tranen vloeiden als de septemberregen over de Hollandse ramen terwijl die Spaanse mooi-boy waarschijnlijk allang weer met een ander meisje in het zwembad aan het rommelen was. Zo letterlijk is het allemaal niet in het liedje terecht gekomen maar dat dacht ik wel allemaal.
Is het er nu allemaal beter op geworden? Dat is een vraag die we ons ook vaak stellen. Maar wat heeft het voor zin om daar überhaupt over na te denken. Ik ben blij dat ik die tijd heb meegemaakt. Dat ik, als ik een meisje had ontmoet in de kroeg op zaterdagavond en dacht dat er een vonkje was overgesprongen, zorgde dat ik die week daarna op dat zelfde tijdstip ook weer op die plek was. Als zij daar dan ook weer was… dan wist je bijna genoeg. Daar waren geen emoji’s voor nodig. De wereld verandert in een niet bij te houden tempo en we kunnen maar beter overal gewoon de positieve kanten van bekijken. We kunnen nauwelijks voorspellen hoe de wereld er over 35 jaar uitziet. Dus laten we het ook gewoon niet doen.’