‘Er schijnt een ander licht boven Zuid-Europa als de zomer zijn laatste stuiptrekkingen laat zien. De verzengende hitte verdwijnt langzaam en de rust keert terug. In de heuvels van Toscane kleuren de wijnvelden van groen naar goud. De druiven zijn rijp. Overdag wordt er geoogst met handen die feilloos aanvoelen dat het juiste moment is aangebroken. Al eeuwenlang. De pleinen en terrassen worden weer begaanbaar, de smalle straatjes weer van de inwoners zelf. ’s Avonds staan de tafels buiten en iedereen verheugt zich op het oogstfeest. Een feest dat de zomer niet afsluit, maar bedankt. Men maakt zich op voor het favoriete seizoen. De herfst.
Vroeger werd ik een beetje somber als de zomer voorbij was. Nou, niet een beetje: ik vond het verschrikkelijk. Dat gevoel dat ik niet genoeg uit de zomer had weten te halen. Het vallen van de blaadjes, de eerste storm van oktober, de dagen die snel korter werden, met als genadeklap het inleveren van het uur. Niks leuks meer in het vooruitzicht. Ik had daar echt last van. Dat gevoel is de laatste jaren verdwenen. Sterker nog, ik betrapte mezelf er dit jaar op dat ik dacht: kom maar op met die herfst. De zomer komt toch altijd weer terug. Het is mooi geweest. Ach, wat word ik toch oud en wijs, hè. Ik denk niet dat ik als twintiger ooit heb uitgekeken naar een dinsdag. Nu wel. Een gewone dinsdag in oktober. De kinderen naar school. Buiten een miezerig regentje. Vroeger vond ik zulke dagen saai. Nu noem ik het luxe. Rust. De eerste keer boerenkool met rookworst. Er zijn de afgelopen jaren genoeg dingen gebeurd, waardoor ik anders naar het leven ben gaan kijken. Ik heb geleerd dat geluk niet zit in hoogtepunten. Geluk zit veel vaker verstopt in doordeweekse dagen. Een wandeling. Samen eten. Een kind dat op de bank zomaar tegen me aankruipt. Ik ga steeds meer op m’n vader lijken. Ook wat betreft gewoontes waar ik me vroeger aan irriteerde. Hij was een man van weinig woorden. Hij vertelde niet over zijn gevoelens en had geen grote dromen. Hij werkte in zijn viskar in het verre Limburg, zorgde voor brood op de plank en genoot het meest van een simpele vrije dag. Hij deed dan vooral zo weinig mogelijk. Op vakantie gingen mijn ouders nooit. Ik als kind dus ook niet. Ik heb ook geen idee hoe ik later aan dat reislustige karakter ben gekomen. Mijn vader keek altijd naar National Geographic Channel en kon daarom meepraten over de verre tropische landen. Hij durfde dan letterlijk te zeggen dat ‘ie ze allemaal al bezocht had. Hij verklaarde mij voor gek dat ik daarheen wilde. Ik kon immers alles aan hem vragen en zo mijn geld in m’n zak houden. Toen ik jong was, kon ik daar boos om worden. Nu begrijp ik de humor en moet ik er achteraf hard om lachen. Ik sluit niet uit dat ik over 15 jaar zelfs ook díé dingen van m’n vader ga kopiëren. Het universum van mijn vader was voor hem groot genoeg. De huiskamer, zijn stoel voor de tv en het uitzicht op het park waar de verandering van de seizoenen te zien was. Geluk was als mijn moeder koffie en twee belegde broodjes voor z’n neus neerzette. Meer had ‘ie niet nodig.
Het leven hoeft niet altijd bijzonder te zijn om waardevol te zijn. Misschien ben ik daarom wel van de herfst gaan houden. De herfst doet niet zijn best om mooi te zijn. De herfst groeit niet. De herfst laat los. De herfst heeft geen vakantie in het verschiet en geen feestjes. Hij wil alleen dat je weer een beetje in het gewone ritme terugkomt. Over een paar weken zal ik waarschijnlijk weer mopperen dat er geen einde lijkt te komen aan de donkere dagen. Zoals elk jaar. En ergens in februari zal ik schrijven dat ik niet kan wachten tot het weer zomer is. Zo zit een Nederlander blijkbaar in elkaar. Tot die tijd probeer ik de herfst te ontvangen zoals ze dat in Italië doen: niet als het einde van iets moois, maar als een nieuw begin. Het gouden gezang van de natuur. M’n vader die eindelijk weer thuiskomt.’