Van droomvakantie naar nachtmerrie
Wilbert en Marjan kenden elkaar 1,5 jaar toen ze besloten hun eerste lange reis te maken. Indonesië werd hun bestemming, en het plan was om niet al te veel te plannen, gewoon lekker genieten. Het hoogtepunt van de reis zou een bezoek aan het Komodo National Park worden, waar ze de beroemde Komodovaranen wilden zien. Alles leek goed te gaan: de sfeer was geweldig en de eerste weken van de vakantie waren een groot succes.
‘Na twee weken vakantie besloten we de boot te nemen naar het eiland Flores. Je kunt daar op 3 manieren komen: per auto, vliegen of per boot. Als steward heb ik best een beetje verstand van vliegen, en die maatschappij stond niet al te best bekend. Het rijverkeer in Indonesië hadden we ook al ervaren, dus daar ging onze voorkeur ook niet naar uit. We zouden per boot gaan. We dachten: Indonesië heeft zóveel eilanden, zij weten vast wel wat ze doen. Helaas bleek niets minder waar.’
Via een lokaal reisbureautje om de hoek boekten Wilbert en Marjan een vierdaagse bootreis naar het eiland Flores, met onder andere als bestemming Komodo. Samen met achttien medepassagiers en vijf bemanningsleden stapten ze op de boot. De sfeer was goed en iedereen had er ontzettend veel zin in, maar die sfeer sloeg al snel om…

De boot waarop Wilbert en Marjan verbleven, foto door Ken Lacey
De start van een ramp
Wilbert: ‘Wat begon met een gezellige sfeer aan boord, veranderde al snel in chaos toen we een keihard en schurend geluid hoorden: onze boot liep vast op een rif. We lachten er eerst nog om, maar we zagen al snel dat de bemanning wel wat paniek had.’ Na een paar uur vast te hebben gezeten, kwam de boot los dankzij de vloed, maar dat was slechts het begin van hun problemen. De volgende dag werden Wilbert en de andere passagiers geïnformeerd dat ze zestien uur lang over open zee zouden varen. ‘Dat stond niet in het foldertje,’ vertelt Wilbert. Terwijl de zee ruwer werd, kwam er steeds meer twijfel onder de passagiers. Wat begon als een grapje, veranderde snel in pure angst toen de golven zo hoog werden dat water het schip binnenstroomde. De bemanning leek totaal ongeorganiseerd en paniek maakte zich meester van iedereen aan boord.
De boot waarop Wilbert, Marjan en de andere passagiers verbleven was helemaal van hout. Op het bovendek sliepen zestien van de twintig passagiers op matrassen en op het gewone dek waren twee kleine hutjes met stapelbedden. In één van die hutjes verbleven Wilbert en Marjan.
‘Ik werd midden in de nacht wakker en zag dat mijn matras nat was. Ik zie water onder de deur naar binnen komen, en wist meteen dat we in groot gevaar waren. Om één uur ‘s nachts werden we weer wakker van het brullende geluid van de motor, die gestopt was. Marjan en ik grepen snel onze spullen en renden naar het voordek, waar iedereen al zwemvesten aan het passen was. De kapitein had de opdracht aan de bemanning gegeven om iedereen te alarmeren, ze waren alleen ons en het andere stel in het hutje vergeten wakker te maken.’ Op dat moment staan alle passagiers zwemvesten te passen en heerst er bij sommigen wel wat paniek aan boord. ‘We hadden geen idee hoe ernstig de situatie zou worden.’
De strijd om te overleven
Terwijl de passagiers op het dek de boot onder water zagen lopen, ging Wilbert in de overlevingsstand. ‘Op dat moment was ik me heel erg bewust: dit gaat helemaal fout. We zullen het water in moeten. Omdat ik wel identificatie op zak wil hebben, besluit ik om mijn paspoort in de ene zak te doen, en mijn portemonnee met al mijn pasjes in de andere zak.’
Terwijl het water steeds hoger steeg, moest er actie worden ondernomen. ‘Ik ben steward van beroep, en in zulke situaties reageer ik door te handelen. Ik wist dat we snel iets moesten doen. Dus ik ging voor de groep staan en begon een soort veiligheidsdemonstratie, zoals we dat in het vliegtuig doen. Het gaf mensen een beetje rust, maar we wisten allemaal dat de kans groot was dat we de zee in zouden moeten springen.’ Terwijl de passagiers met man en macht bezig waren met plannen maken om te overleven, liet de bemanning het afweten. ‘Toen ik aan één van de bemanningsleden vroeg of ze een radio hadden, keek hij me glazig aan. Van SOS of Mayday Mayday hadden ze ook nog nooit gehoord. Op dat moment vreesde ik het ergste. Er moest iets gebeuren! We zaten daar op open zee, het was pikkedonker en de bemanning was totaal niet voorbereid op een noodsituatie.’
‘We wisten allemaal: nu gaat het moment komen dat we allemaal overboord slaan. En die kwam.’ Een gigantische golf sloeg alle passagiers overboord. Omdat Wilbert als ‘leider’ een andere positie had dan de andere passagiers, vloog hij door het open trapgat heen, dat hij net daarvoor had gecreëerd door het laddertje aan de zijkant van de boot in zee te laten zakken. Hij belandde in een aluminium sloepje. ‘Daar komt gelijk de verrassing om de hoek. Want terwijl wij bezig waren met overlevingsstrategieën was de bemanning druk op het achterdek bezig met een klein vierpersoons aluminium sloepje. Het was geen reddingssloep, maar een bevoorradingssloepje. Totaal geen reddingsmateriaal.’

Wilbert hangend aan de sloep
Zwemmen voor je leven
Wonder boven wonder raakte niemand gewond. Wilbert besloot om mensen aan hun armen en schouders het sloepje in te trekken. Marjan hield zich ondertussen vast aan een touw, terwijl ze tegen Wilbert riep dat hij de anderen moest helpen. ‘Marjan en ik hadden nét – vlak voor die grote golf ons van de boot af sloeg – aan elkaar beloofd dat wat er ook zou gebeuren, we bij elkaar zouden blijven.’ Terwijl de passagiers aan het zwemmen waren voor hun leven in die donkere nacht, zat de bemanning nog steeds aan de achterkant van de boot. ‘De boot was nog niet helemaal gezonken, hij dreef nog steeds. De boot lag met de kont omhoog in de zee, was voor 80% gezonken. Met op de achterkant: de vijf bemanningsleden. Ze waren aan het schreeuwen en aan het zwaaien.’
Daar zwommen ze dan, de twintig passagiers in verouderde zwemvesten in de donkere nacht, op open zee. Met slechts acht kleine ananasjes die ze uit zee pakten, en vier splinterende planken die als peddels dienstdeden. En dat terwijl er geen alarm was geslagen door de bemanning. Het was pikkedonker om hen heen, het enige wat ze in de verte zagen was een eiland met daarop een vulkaan. ‘We dachten meteen: aan het zinkende schip hebben we niets, we moeten naar dat eiland, maar eerst moet het licht worden. Terwijl we elkaar aan het afwisselen waren op het sloepje en op het laatste stukje boot hebben we daar met z’n allen twee kleine ananasjes opgegeten en verdeeld, dan hadden we toch iets. Nu hadden we nog maar zes ananasjes en we weten niet hoelang het duurt voordat we het eiland bereiken. Er is geen redding nabij, niemand weet waar we zijn, niemand mist ons.’
Het kleine sloepje was hun enige hoop. Zaterdagochtend, na een nacht vol spanning en angst, besloten ze om naar het eiland in de verte te zwemmen. De zwemvesten boden nauwelijks ondersteuning. ‘Die zaterdagochtend zijn we met z’n allen in een lange sliert gaan zwemmen, op weg naar het eiland met de vulkaan. Er was wel wat discussie over het sloepje, want we schoten niet echt op, waardoor een aantal passagiers besloten om zelf vooruit te gaan zwemmen. Tien mensen zijn vooruit gaan zwemmen zonder sloep. Vijftien opvarenden, waaronder de vijf bemanningsleden namen de sloep mee op hun zwemtocht. Als rustpunt dachten we, maar het bleek meer een ballast.’
‘Op een gegeven moment waren wij – de passagiers – aan het zwemmen voor ons leven, terwijl de vijfkoppige bemanning prinsheerlijk in het sloepje zat. Tot overmaat van ramp kwamen we erachter dat ze álle overige ananasjes hadden opgegeten. ‘Ja, jullie wilden niks’, zeiden ze laconiek. Dat escaleerde natuurlijk helemaal waarna ze hebben besloten om de sloep te verlaten en zelf naar het eiland te gaan zwemmen. We waren ze liever kwijt dan rijk. Wij bleven toen met z’n tienen over.’

Het uitzicht op het eiland met de vulkaan
Nooit meer gezien
Vlak voor het escaleerde met de bemanning besloten twee Spaanse mannen om ook hun eigen weg te gaan. ‘Ze waren er helemaal klaar mee en zeiden: fuck it, wij gaan onze eigen weg. Ze besloten om los van de groep te gaan zwemmen. Deze twee Spaanse mannen hebben wij nooit meer gezien. Er is sindsdien nooit meer iets van hun vernomen of gezien. Zij zijn uiteindelijk de twee overledenen van dit ongeluk.
Toch weer terug
Ook de bemanningsleden verlieten de sloep, zogenaamd op weg naar een dorp op dat vulkaaneiland. Een paar uur later zagen de sloeppassagiers iets drijven in het water. ‘Het waren de zwaaiende bemanningsleden. Of ze toch weer ‘even’ opgehaald konden worden. We hebben nog even getwijfeld wat we moesten doen. We besloten om ze toch op te halen, want ik was bang dat we straks uiteindelijk in de bak zouden draaien in Indonesië, in plaats van dat ik met een biertje op het strand zouden zitten. Áls we dit al zouden overleven.’
De groep bestond toen weer uit dertien personen. De spanning bleef hoog. De overlevenden hadden nauwelijks geslapen, hun lichamen waren uitgeput, en de dreiging van verdrinking was reëel. Ze hadden touwen aan de sloep vastgemaakt om elkaar in de gaten te houden, wetende dat als iemand in slaap viel, dat dodelijk zou kunnen zijn. De zondag werd een herhaling van de voorgaande dag, maar de energie begon op te raken. ‘We waren toen intussen zo’n 20 uur aan het overleven op zee. De kramp slaat toe, je hebt spierpijn, er is de angst voor haaien, je wonden blijven opengaan, je bent uitgeput…’ Waar de groep eerder strijdlustig was om deze ramp te overleven, waren ze nu lamgeslagen. De teamspirit was weg.’
Geestelijk
Het overleven op zee eiste niet alleen lichamelijk zijn tol, ook geestelijk zorgde dit voor een enorme klap. ‘Waar je aan denkt zijn natuurlijk je familieleden, iedereen die thuis op je wacht. Eerst denk je praktisch: weten mensen eigenlijk wel dat ik hier ben? Daarna word je emotioneel: ik wil mijn familie helemaal niet missen. Ik dacht aan mijn ouders, die allebei jong zijn overleden. Mijn moeder in het water notabene. Haar dood kwam nog nooit zó dichtbij. Mijn moeder overleed toen ik dertien jaar oud was, mijn vader overleed toen ik vijfentwintig jaar oud was. Nadat mijn vader overleed dacht ik: ik ga het anders doen. Ik was vastbesloten om gelukkig te gaan leven en om mijn dromen na te jagen. Daarom ben ik gaan vliegen. Hoe dan ook: mijn doel was om gelukkig te zijn en te blijven. En omdat ik dat ondertussen al zeventien jaar aan het doen was, had ik ook wel een soort berusting. Dat mocht ik daar in zee sterven, dat het zo goed was.’
Huwelijksaanzoek
Gevoelens, emoties en gedachten wisselen elkaar af. ‘Op een gegeven moment vroeg Marjan me ten huwelijk, midden op zee, terwijl we nog aan het vechten waren voor ons leven. Ze zei dat ze trots op me was, en dat gaf ons een enorme boost om toch door te gaan. Het was zo onverwachts, maar precies wat we op dat moment nodig hadden. Niet alleen ik, maar de overige passagiers ook. Op deze positieve boost konden we weer een uur vooruit.’
Het werd weer licht, en de zondagochtend brak aan. Hoewel iedereen gelukkig nog wel in leven was, kwam de dood wel steeds dichterbij. ‘Sommigen hadden echt al een doodse blik.’ Die zondag werd een herhaling van de zaterdag. Zwemmen, trekken, trappelen…overleven. Het eiland met de vulkaan zagen ze allang niet meer, zo ver waren ze afgedreven. ‘We zagen wel een nieuw eiland, heel klein met allemaal rotsen, maar veel verder weg nog. Heel erg in de verte zagen we soms een cargoschip, maar die zag ons niet.’ De negatieve emoties voerden weer de boventoon en de spanningen liepen weer hoog op.
Totdat Wilbert zich iets bedacht. ‘Ik had Marjan nog helemaal geen antwoord gegeven op haar huwelijksaanzoek. Dus ik besloot haar te beantwoorden, voor de zekerheid ook in het Engels: als we hieruit komen, gaan we zeker weten trouwen! En dat gaf inderdaad weer een beetje een boost.’
Redding
Na 40 uur zwemmen en overleven brak de zondagmiddag aan. De zon verdween langzaam en het zag er naar uit dat de overlevenden de volgende donkere nacht in zouden moeten gaan. ‘Dit gaat echt fout, dacht ik bij mezelf. We waren ook al aan het nadenken over wat we met een lichaam zouden doen, mocht er iemand overlijden. Maar wie zijn wij om te besluiten voor een geliefde om iemand een zeemansgraf te geven? Zo erg was de situatie.’
Totdat ze in de verte twee boten met volle vaart op hen af zagen komen. ‘Toen we uiteindelijk gered werden, was het ongelooflijk. De mensen op het dek waren nog blijer dan dat wij waren.; Nadat ze aan boord van de reddingsboten waren gehaald moesten ze nog zo’n drie uur terugvaren. Uiteindelijk kwamen ze aan in een haven, eindelijk weer voet op het vaste land. Maar ook dat verliep niet soepel. ‘De havenmeester hoorde dat er drenkelingen aan boord waren, dus hij liet ons niet toe, zonder paspoorten. Uiteindelijk liet hij ons na een paar uur tóch toe en werden we vervolgens naar het dichtstbijzijnde ziekenhuis gebracht. De medische hulp die we eigenlijk nodig hadden was er niet, maar de mensen waren ontzettend lief.’
De volgende dag werden Wilbert en de andere overlevenden omringd door politie, kustwacht, ambassade en journalisten. Zo kwamen ze er ook achter wat er met de andere passagiers waren gebeurd. ‘De twee Spaanse mannen zijn helaas tot op de dag van vandaag niet gevonden. Het is heel tragisch. Het clubje van tien, wat als eerste besloot om naar het eiland te gaan zwemmen is uit elkaar gevallen. Vijf daarvan haalden op zaterdagavond het eiland. Ze zagen daar een aantal vissers een vuurtje stoken en zo zijn ze gered. Nog meer mazzel hebben de andere vijf van dat clubje, waaronder een Nederlands meisje. Die zijn gered door een moderne boot met duikers. Zij zaten om negen uur ‘s ochtends aan de eieren met spek.’

Wilbert en Marjan in het ziekenhuis
Het leven na de schipbreuk
Wilbert en Marjan bleven sterk. Ze zijn nog steeds samen en, zoals beloofd, zijn ze uiteindelijk getrouwd. Een jaar na de ramp keerden ze terug naar Indonesië om de verpleegsters te bedanken die hen na hun redding hadden geholpen. De bemanning hebben ze nooit meer gezien. ‘Wat Marjan niet wist is dat ik toen stiekem een ring in mijn zak had. Op 1 januari, op haar verjaardag, heb ik haar op Bali ten huwelijk gevraagd. Zo heeft het verhaal toch nog een happy end.’
Als er iets is wat Wilbert geleerd heeft, is dat hij geen slachtoffer is, maar een overlever. Hij heeft zijn verhaal gedeeld in een boek, geeft lezingen en blijft in contact met de andere schipbreukelingen. ‘We spreken elkaar nog steeds, tegenwoordig via ZOOM. We hebben allemaal iets vreselijks meegemaakt, maar we hebben het overleefd. En dat is waar ik trots op ben: ik ben een overlever, geen slachtoffer.’
Wilbert heeft zijn ongelooflijke verhaal vastgelegd in een indrukwekkend boek: Schipbreuk in het paradijs. Ben je nieuwsgierig geworden of wil je het lezen? Klik dan hier!
Extra leuk: 100%NL Magazine mag een exemplaar van dit boek weggeven. Wil je meedoen met de winactie? Klik dan hier!
